Brugse kantgeschiedenis

De Kantnormaalschool
Brugge had een Kantnormaalschool, opgericht in 1911 en ter ziele gegaan in 1959. Deze telde verschillende afdelingen. De initiatiefnemers van die Kantnormaalschool waren de Zusters van de Heilige Jozef, ook bekend als de “Jozefienen”. De gebouwen in de Baliestraat (schuin over de Sint-Gilliskerk) omvatten destijds een pastorie en een schoolcomplex. Gebouwd in 1867 met een neogotisch deel aan de Annuntiatenstraat daterend van 1887-1900. De school werd afgebroken en vervangen door sociale woningen met garages en nieuwe schoolgebouwen.

Kantscholen en kantschooltjes
Brugge was een tijdlang de stad met het grootst aantal kantscholen in Vlaanderen. In 1846 waren er in de stad zowat 10.000 vrouwen die om den brode klosten. Maar dan wel vaak voor een hongerloontje. De stad telde toen 44 “kantkoopvrouwen” en 10 “kantinkopers”. Die “koopvrouwen” kochten kanten op. Stropkant, Binche, Cluny en Valencienneskant waren vooral gegeerd. Deze koopvrouwen kregen veel kritiek omdat ze weinig betaalden voor de kant en er veel aan verdienden.

In 1847 telt Brugge 82 kantschooltjes, ofwel geleid door de geestelijkheid ofwel door privé-personen. Let wel op, “school” is in veel gevallen een toch wat overdreven begrip. Vaak ging het om oudere kantwerksters bij wie jonge meisjes in de “lering” waren. De Sint-Annaparochie spant dan de kroon met liefst 18 kantschooltjes. De meest belangrijke kantschool van Brugge in de 19-de eeuw was de school van priester Leon de Foere, gesticht in 1816 in de Sint-Jacobsstraat. Deze school blijft actief tot de Tweede Wereldoorlog.

De toen tweede belangrijkste school was die van de Zusters Apostolinnen (gesticht in Antwerpen en vanaf 1717 in Brugge actief) in de Balstraat. Eerder waren ze ondermeer actief in de Ganzenstraat in het voormalig klooster “Magersoo”. Daar richtten drie zusters onder de leiding van Jacoba Clievers een kantschool op. Van 1788 tot 1804 huizen de zusters in het voormalige Theresianenklooster in de Ezelstraat. Met de Franse Revolutie worden ze uit die gebouwen gezet en vinden ze onderdak in een huis in de Pottemakersstraat.  In 1803 verhuizen ze naar een vleugel van het klooster van de Carmers. In 1835 sluiten ze een huurovereenkomst met Francois de Thiennes de Rumbeke waardoor ze terechtkunnen in de Balstraat, op het domein Adornes. Hun kantschool op die plaats was bedoeld voor meisjes van de burgerij, een betalende school dus.

In 1865 fuseren ze met (en krijgen ze de leiding over) een kantschool op de hoek van de Leffingestraat en  de Molenmeers (die school was een initiatief van de priester van de Sint-Annaparochie die vond dat er ook een kantschool moest zijn voor niet-betalende meisjes) en in 1899 bouwen ze de school in de tuin van het Adornesdomein. Dit wordt ook de nieuwe bestemming van het huidige Kantcentrum, die na de grondige renovatie van het gebouw hierheen verhuist, wellicht in 2012.

Omdat de school zo’n succes kent nemen ze in 1924 nog een ander kantschooltje in gebruik in de vlakbij gelegen Timmermansstraat, samen met een stuk grond dat tot een blekerij behoorde. Maar het kantonderwijs taant en in 1933 wordt het dagonderwijs van de Apostolinnen beperkt tot één dag in de week en een avondschool. In 1961 sluiten de Apostolinnen hun dagschool. Er zijn dan nog amper vier leerlingen.

Sociale situatie
In 1902 waren er in België ruim 47.000 kantklossters, waarvan iets meer dan 70 procent in Brugge alleen al actief waren. Het is een feit dat in de Brugse kantscholen rond het begin van de vorige eeuw toestanden heersten die niet je dàt waren. De sociale (wan)toestanden binnen de kantsector trokken de aandacht van de toenmalige overheid. Véél werken, weinig verdienen, huisnijverheid om een schamele stuiver bij te verdienen, kant van slechte kwaliteit, lonen die lager lagen dan wat vrouwen in de fabrieken konden verdienen, het maken van minderwaardige machinale kanten.

Het Ministerie van Nijverheid en Arbeid wilde de kantnijverheid begin twintigste eeuw dan ook een nieuwe impuls geven en meteen ook het kantonderwijs op punt stellen. In 1901 wordt de sector doorgelicht en de conclusie is vlug gemaakt: de sociale situatie van de kantwerkster moet verbeteren en het kant-onderricht moet nieuwe impulsen krijgen. Een van de manieren was de lessen te laten geven door leerkrachten die een pedagogische opleiding hadden genoten. Maar dan moest je natuurlijk eerst zo’n leerkrachten hebben. Tot dan werd gewoon les gegeven door dames die het gewoon van moeder op dochter hadden geleerd.

Het stadsbestuur van Brugge had in 1906 plannen om een Kantnormaalschool op te starten en liet dat weten aan het Ministerie van Nijverheid en Arbeid in juni van dat jaar. Brugge was bereid lokalen ter beschikking te stellen in de Sint-Katharinastraat voor deze “Ecole supérieure de la Dentelle”, maar wilde als tegenprestatie subsidies van de (federale) overheid. Om een niet bekende redenen sprongen de gesprekken echter af waarop er nieuwe onderhandelingen volgden tussen de geestelijke leiders en het ministerie. Het was de proost van Blindekens, priester Achille Lauwers, die de gesprekken leidde namens de geestelijkheid. Lauwers was ook  proost van de Gilde der Ambachten. Er werd beslist dat niet meer de stad Brugge, maar de Zusters van de Heilige Jozef lokalen zouden ter beschikking stellen, in de Baliestraat. Die zusters zijn actief in Brugge sedert 1832.

Achiel Logghe
Op 1 juni 1911 startte, onder impuls van kannunik Achiel Logghe, een kantnormaalschool in de Baliestraat. In gebouwen van de Zusters van de Heilige Jozef, op de parochie Sint-Gillis. Die gebouwen waren aangekocht omdat hun “Arme Spellewerkschool” in een oude pastorie in de Lange Raamstraat te klein was geworden. Het was pastoor Jacobus Van Nieuwenhuyse die in 1838 het domein met huis,  boomgaard en “groenseltuin” aankocht voor 10.200 frank en zo eigenlijk zonder dat natuurlijk te beseffen het mogelijk maakte dat daar later een kantnormaalschool zou komen. Dat complex was toen eigendom van Adelaide Bortier en Sophie Bortier. Adelaide was gehuwd met Adriaan de Heusch de Bombrouck, die op een kasteel woonde nabij Hasselt. Sophie was gehuwd met Adolf Boellaard van Tuyl, kolonel bij het Nederlandse leger in Utrecht. Het geheel werd openbaar geveild en pastoor Van Nieuwenhuyse kon het kopen, zij het met hulp van enkele “sponsorende” vrienden. Kort na de aankoop startten de bouwwerken, die pas zouden worden voltooid onder toezicht van de opvolger van Van Nieuwenhuyse, pastoor Fredericus Van Coillie. Van Nieuwenhuyse was pastoor geworden in Lichtervelde, maar overleed in Brugge in 1865.

De school werd in 1843 in gebruik genomen en de kant-leerlingen kregen les van vier “juffrouwen”. Toen pastoor Van Nieuwenhuyze werd opgevolgd door pastoor Van Coillie gaf die de leiding van de school aan de Zusters van de Heilige Jozef. In 1852 werden de gebouwen uitgebreid met een (gemengde) bewaarschool en een werkhuis voor meisjes. In 1892 kwam daar nog eens een gemengde school voor kinderen van de Brugse burgerij bij. Nauwelijks een jaar later volgden er al 700 leerlingen de lessen.

Logghe  kreeg voor die Kantnormaalschool de morele steun van bisschop Waffelaert en van de provinciegouverneur.  Logghe (Torhout, 24 maart 1878- Brugge 2 oktober 1965) was de rechterhand van Achille Lauwers (Ingelmunster, 31 augustus 1804- Brugge, 28 december 1910) en erg actief in de Christelijke Arbeidersbeweging. Hij was in Brugge onderpastoor van de Sint-Salvatorparochie. Beiden speelden een erg belangrijke rol in de ontwikkeling in Brugge van de mutualiteiten en van autonome vakbonden. Logghe was tientallen jaren een van de belangrijkste figuren binnen de katholieke partij in de regio Brugge. Over het oprichten van de Kantnormaalschool schrijft Rachel Van Hollebeke uit Assebroek in 1923: “In het jaar 1911 door toedoen van Pater Rutten werd er door den Eerwaardse Heer Logghe een kantnormaalschool gesticht. Het doel was en is een opbeuring der kantnijverheid bewerken,  het vormen van bekwame onderwijzeressen in het vak en door het opleiden van knappe werksters en steksters. Mocht die inrichting groeien en bloeien en rijpe vruchten dragen tot heil van onze geliefde kantwerksters tot nu van onze Christene Vlaamsche vrouwen”.

Ongeveer een jaar voor het stichten van de Brugse kantnormaalschool waren “Les amis de la dentelle” opgericht. Bedoeling was het kantonderwijs te hervormen door elite-kantscholen uit te bouwen. In 1911 is ook “La dentelle Belge” een feit. Die wil het maken van kwaliteitsvolle kant promoten en de kanten, gemaakt in de elitekantscholen van “Les Amis de la dentelle”, verkopen. Dergelijke elite-kantscholen komen er in Liedekerke, Turnhout en Hofstade.

Kantnormaalschool
Uit informatie die werd verspreid bij het opstarten van de kantnormaalschool bij de “Zusters Josephienen” leren we dat de kantnormaalschool was bedoeld om “leermeesteressen voor kantwerk te vormen” maar ook was bedoeld voor “de personen die zich tot den handel of tot het teekenen, het steken, of uitwerken van “spellewerkkant” willen voorbereiden te bekwamen in hun ambacht”. De kantsoorten die er werden onderwijzen waren stropkant, Russische Kant, Cluny, Valencienes, Guipure, Bloemwerk en “Ouderwetsch”. Aan de Brugse kantnormaalschool was ook een Oefenschool verbonden, waar de leerlingen konden oefenen in het later zelf les geven. Ze kregen er niet alleen les over kant, maar “ter algeheele opleiding” moesten ze er ook lessen volgen in godsdienst, rekenen, “handelskennis” en staatshuishoudkunde. Na twee jaar en succesvolle examens kregen de meisjes een diploma. De hierboven vermelde vakken telden echter niet mee voor de examens. Wie les wilde volgen aan de Brugse kantnormaalschool moest minimum 14 zijn, hoogstens 30 jaar oud en al wat ervaring hebben in het kantklossen. Enkel kloosterzusters mochten er intern zijn. Er werd in de beginperiode les gegeven van 8u15 tot 11u45 en van 14- tot 18 uur. De kantnormaalschool had drie afdelingen. Een ervan was – letterlijk citaat – “de opbeuring van de kantnijverheid door het vormen van onderlegde onderwijzeressen in het vak, en door het opleiden van knappe stiksters en werksters”. Een tweede afdeling was de oefenschool en in de derde afdeling werd twee keer per week les gegeven aan “dames en juffrouwen”. De studentes aan de kantnormaalschool kregen trouwens elke dag de gelegenheid zich te oefenen in het lesgeven, want de kinderen uit Sint-Gillis waren elke namiddag om 16 uur welkom voor een paar uurtjes kantles. Uiteraard werd een en ander aangepast naarmate de jaren vorderden.  De eerste raad van bestuur bestond uit mevrouw Louise Ryelandt (voorzitter), kanunnik Logghe (secretaris) en Moeder Walburga (penningmeester).

Wie als kloosterzuster intern wilde zijn, betaalde 450 frank en diende zich aan te melden in het bezit van “servetten, beddegoed en handdoeken”. Bezoek in de spreekkamer was alleen mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de overste van het klooster, waartoe de zuster behoorde.

In 1913 studeerden de eerste 13 gediplomeerde meisjes af aan de “Vrije Normaalschool voor Kant- en Borduurwerk”, officieel gevestigd in de Baliestraat 21.  Een van hen was Diane Vanhoutte die door ondermeer kanunnik Logghe werd gevraagd er zelf lerares te worden, wat ze ook deed. In 1935 werd ze er zelfs “bestuurster”, als opvolger van Achiel Logghe. Alles samen zijn tussen 1913 en 1959 precies 150 kantleraressen afgestudeerd aan de Brugse Kantnormaalschool.

In 1915, 1916 (oorlogsjaren) studeerde niemand af. Dat was ook het geval in 1932, 1934, 1936, 1937, 1938, 1939, 1940, 1942, 1943, 1944, 1946, 1948, 1949, 1951 en, de periode tussen 1953 en 1957.

Crisis
Op het ogenblik dat Diane Vanhoutte er directeur wordt, verkeert de school dus in een diepe crisis. Er waren amper nog leerlingen. En dat is geschiedkundig perfect te verklaren. Voor kantonderwijzeressen was er geen werk meer, het diploma had dus weinig nut en er was de economische crisis die weer de kop opstak, rond de jaren ’30 van de vorige eeuw. Wie wel nog studeerde aan de Brugse kantnormaalschool, koos toen massaal voor de afdeling “Linnen” en niet voor kant. Uiteindelijk heeft dat ertoe geleid dat de school nog een tijd voortkabbelde en om te redden, werd uitgebouwd tot een school met een volwaardig leerplan. In 1955, enkele jaren voor de definitieve sluiting, had in de afdeling kant een baanbrekende vernieuwing plaats: de intrede van de “moderne” kant.

De kantnormaalschool in Brugge heeft baanbrekend werk verricht voor de kantsector in het algemeen. Een van de meest in het oog springende realisaties is het uitwerken van een kleurencode voor de kantklosster. Een methode die nu nog altijd wereldwijd wordt gebruikt en tot stand kwam onder impuls van zuster Benedicta. Elders in deze uitgave komen we daarop uitgebreid terug, in de bijdrage van Lieve Pollet.

Maar het was eigenlijk kanunnik Logghe die in Izegem bij de Zusters van Maria had ontdekt dat de draden op borden werden getekend in kleuren. Die methode werd verfijnd  in Brugge, met specifieke kleuren om de bewegingen van de draad te tonen.

Oorlog
De Eerste Wereldoorlog gooide serieus roet in het eten. De bezetter eiste in 1917 de gebouwen in de Baliestraat op. In een halve dag tijd moesten de gebouwen ontruimd zijn. De lessen werden dan maar voortgezet op verschillende lokaties in de binnenstad. Dat gebeurde ondermeer bij “De Gilde” in de Oude Burg. Pas in februari 1919 konden de leerlingen terug naar de Baliestraat. Nauwelijks een jaar later kreeg de school weer klappen, deze keer door de wereldwijde crisis. In het schooljaar 1921-1922 dienden zich amper nieuwe leerlingen aan. De bezetter had in de Eerste Wereldoorlog trouwens geprobeerd de “geheimen” van het kantklossen te achterhalen. Er volgden toen enkele (wellicht) Oostenrijkse leerlingen les aan de kantnormaalschool. Het is hen niet gelukt. Wellicht probeerde de bezetter de kant-geheimen te achterhalen om die te kunnen gebruiken bij het eigen kantonderricht, maar zeker is die stelling niet.

Ook in 1923 verkeerde de kantsector nog in crisis, in die zin dat bestuurder Logghe zelfs een dringende promotiebrief schreef en liet verdelen in de hoop nieuwe leerlingen aan te trekken. Uit dat schrijven leren we borduursters een diploma kregen na één jaar, kantwerksters na twee jaar. Oud-leerlingen die een diploma van kantwerksters hadden behaald, konden in negen maanden een tweede diploma borduurwerk bekomen. Zo hoopte de toenmalige directie nieuwe leerlingen aan te trekken, wat ook een tijdlang lukte. Tussen haakjes, het is opvallend dat er nooit buitenlandse leerlingen werden aanvaard in de school. Dat had wellicht te maken met moest worden voorkomen dat de kanttechnieken in vreemde handen vielen.

De lessen hebben in 1923 plaats van 8u30-11u45 en van 13u45 tot 18 uur. Elke leerling (met een aparte regeling voor de internen) betaald driemaandelijks 15 frank. Daarbij komt een vergoeding voor de door de school ter beschikking gestelde materialen. Een van de laatsten die afstudeerden aan de Brugse kantnormaalschool (1958) was Zuster Godelieve Vandromme. Ze volgde er de lessen vanaf 1954, studeerde af  in 1958 en kreeg het diploma “Regentes Kant”. Officieel stond er op haar diploma “Geaggregeerde voor het lager secundair onderwijs, afdeling kantwerk”. Zuster Godelieve kreeg haar diploma overhandigd op 1 augustus 1958. De opleiding tot kantlerares duurde toen dus vier jaar. De kantnormaalschool heette toen officieel “Normaalschool van Kant- en Linnenwerk”, met als officieel adres Baliestraat 17. De studentes van de afdeling kant volgden er de algemene vakken samen met die van de afdeling Linnen. Wie er kantles volgde kreeg elke week 18 uur kantles, in de jaren ’50 van de vorige eeuw. Je leerde er de verschillende kanttechnieken, uiteraard les geven, maar ook ontwerpen en het prikken van die ontwerpen.

Margriet Blomme
Margriet Blomme (Brugge, 22 mei 1922) studeerde ook aan de Kantnormaalschool. “Mama had een kantwinkeltje in de Boeveriestraat. Zij was een koopvrouw, kocht dus kantjes van andere dames op. Liefst 800 dames van binnen en buiten Brugge “spellewerkten” voor mama. Mama kocht die kantjes op voor een maatschappij in Brussel. Die firma verkocht dat dan verder. De kantklossters die hun kantjes brachten kregen daar zeer weinig voor. Ik ben vaak mee geweest met mama, die kantjes ophalen bij de klossters thuis. Vaak ging het om meterskant, dat werd dan per el (69,4 cm) verrekend. Velen kwamen ze hier brengen, soms lukte dat niet en gingen we aan huis. Na mijn achtste studiejaar, ben ik naar de kantnormaalschool geweest. Ik moest, want mama wilde dat ik en mijn zus haar winkel verder zouden zetten. Eerlijk gezegd had ik geen zin om naar de kantnormaalschool te gaan. Je kon er in mijn tijd kiezen uit kantlessen, lessen haute couture, naaien en borduren én tekenlessen. Maar die plannen zijn nooit doorgegaan, na mijn kantnormaalschool heb ik nooit meer geklost. Ik had heel wat kinderen op te voeden. In mijn jaar zat trouwens Anna Decleer, dochter van de bruggedraaier van de dampoort (en moeder van Annemie Verbeke, huidig lerares in het Kantcentrum). Ik zat tussen haakjes ook verveeld destijds met het imago van de kantwerksters. Dat waren veelal oude “wuuvetjes” en daar wilde ik niet mee geassocieerd worden. Ik heb véél kant getekend, maar nooit meer kant geklost“

Simonne Vandaele
De kantnormaalschool sloot haar deuren in 1959 omdat het Ministerie van Onderwijs die niet langer wilde subsidiëren. Simonne Vandaele (Brugge, 3 april 1940) had de eer “de eerste te zijn die niet meer afstudeerde” aan de kantnormaalschool. Ze volgde er de afdeling “Kant- en Linnenwerk” en kreeg te horen dat de kantnormaalschool door een tekort aan leerlingen de deur zou sluiten. “Dat was in 1958. Een slag in m’n gezicht, want ik wilde m’n diploma natuurlijk. Maar dat hebben we kunnen oplossen door samen met een andere leerlinge, Thérèse Gaddeyne, onze studiejaren uiteindelijk rond te maken bij de Zusters Maricolen. Er waren dan nog drie of vier anderen, maar ik weet niet wat er van hen is geworden”. De ouders van Simonne stuurden haar naar de kantnormaalschool “omdat die een betere naam had en een deftiger school was dan de Maricolen”.

“Ik heb in de kantnormaalschool mijn eerste ontwerpen gemaakt en heb die nog altijd liggen. Ik hield van fijn handwerk. Na mijn studies werd ik bij de Zusters van de Heilige Jozef lerares “snit en naad” maar ik deed dat niet graag. Uiteindelijk ben ik overgeschakeld naar les geven in plastische opvoeding”. Simonne stopte met lesgeven na een ongeval en nam het kantkussen opnieuw ter hand. “Het leek alsof ik niks was vergeten. Heel eigenaardig, alles lukte meteen weer, na al die jaren. Toch wel een bewijs dat het onderricht in de kantnormaalschool van een hoog niveau was. Uiteindelijk heb ik voor het Davidsfonds dan nog jarenlang kantlessen gegeven op de wijk Sint-Jozef”. Twee jaar geleden stopte Simonne daar definitief mee.

In de kantnormaalschool herinnert  Simonne zich de kantklas nog perfect. “Dat was een klas op de gelijkvloerse verdieping, want vergeet niet, we kregen er ook ondermeer algemene vakken, lessen huishoudkunde en tekenlessen.” Er werd ook godsdienstles gegeven om de meisjes “christelijke waarden” bij te brengen.  Uit archieven leren we dat in het schooljaar 1919-1920 volgende vakken werden onderwezen: staatshuishoudkunde, opvoedkunde, handelswetenschappen, rekenkunde, kantwerk, lijntekenen, stekken, geschiedenis der kanten, vaktekenen en hulp bij het kantwerk.

“In de kantklas stonden of lagen er een massa kantkussens”. Vooraan in de klas stond een groot kussen waarop de patronen werden getoond en uitgelegd. “De kantnormaalschool –mijn ouders bleken gelijk te hebben – was een strénge school. Op de speelplaats mochten we niet praten en moesten we in rijen lopen. We droegen ook een schooluniform, met een scheve “baret” op ons hoofd. Elke dag begonnen we om halfnegen, ook op zaterdag en woensdag de hele dag liepen we er school.” Volgens Simonne is de kantnormaalschool ten onder gegaan aan het weigeren mee te evolueren. “Bij de Maricolen werd moderner kantwerk gemaakt en dat sprak veel meer meisjes aan. Bij de Maricolen kon je overdag ook de afdeling “Confectie” volgen, wat in de kantnormaalschool alleen maar ’s avonds kon. Dat was een populaire richting hoor.” Na het sluiten van de kantnormaalschool bleven volgens Simonne enkele zusters nog jarenlang wonen in het complex.  Vanaf 1 september 1961 vond het  Revalidatiecentrum Sint-Rafaël onderdak in een deel van de gebouwen. Het centrum is er gebleven tot 1980.

- Nico Blontrock -